altIn het museum
Joost van Driel


'Nooit had David Schijndels durven hopen dat hij in een dinosaurus zou veranderen. De dag was niet slecht begonnen, maar dat het leven zo zou eindigen…’


David is ruim tien jaar als zijn moeder zegt dat hij zijn mooiste overhemd aan moet trekken. Ze gaan naar Brussel.  Jaren eerder - voor het kind is vier jaar een lange tijd - was er een gewoonte geïntroduceerd in het leven van de jongen. Minstens een keer per maand ging hij met zijn vader naar Amsterdam. Het duurt een aantal reizen voor de jongen doorheeft dat ze helemaal niet naar Amsterdam zijn gegaan al die tijd. Ze gingen de grens over, naar Brussel!


David vindt het heerlijk als hij samen met zijn vader op stap mag. Zijn vader is een held, hij kan hele lange verhandelingen houden, is opgeleid als filosoof. Hij windt iedereen om zijn vinger en krijgt alles voor elkaar. Vooral de vrouwen vallen voor hem, maar dat is in het begin nog niet zo duidelijk voor de jongen. Die geniet: van de wandeling door de stad, van de nieuwe smurf die hij krijgt maar vooral van het dinomuseum. Uren kunnen ze daar rondlopen, fascinerend zijn al die uitgestorven dieren.


Na een tijdje loopt zijn vader niet meer met hem mee, er is een meisje, Sarah, een oppas. David vindt het maar niks, maar Sarah ook niet. Toch vinden ze samen een manier om het allebei gezellig te hebben. De jaren gaan voorbij, en langzaam verandert het beeld dat de jongen van zijn vader heeft. Steeds meer doorziet hij wat voor man zijn vader is, maar het is wel de vader waar hij van houdt. En hij vindt het museum nog steeds een heerlijke plek om rond te lopen.
Dan komt de dag dat Sarah er niet is. David loopt in zijn eentje rond, en vergeet de tijd. Hij had om half drie afgesproken met zijn vader, het is al vijf uur als de jongen op de afgesproken plek komt. Geen vader. Geen Sarah. Niemand. Op dat moment neemt David een besluit.


Het verhaal wordt als een terugblik verteld. Daardoor kan het taalgebruik iets volwassener zijn dan wanneer het door het kind van zes verteld zou worden, op het moment dat hij het allemaal meemaakte. Toch houdt het verhaal het dromerige, naïeve sfeertje dat bij een kind hoort, een slim kind dan toch.


In de eerste alinea staan al verwijzingen naar het eind, maar op dat moment begrijpt de lezer dat nog helemaal niet. Het geeft meteen de nieuwsgierigheid een opdonder, je legt dit boekje niet weg! Wat wordt er bedoeld met ‘hij zou in een dinosauriër veranderen’? En waarom zegt zijn moeder:  ‘We laten ons verdomme niet kennen.’ David schrikt er van. Zijn moeder vloekt nooit.


Joost van Driel doet dit reuze goed: door de ogen van het kind zien we hoe vader, een flierefluiter, een fantast, zijn leven verwoest, en daarmee dat van zijn gezin.
Er zit magie in het verhaal en in het taalgebruik. Een prachtig debuut is het. Rake typeringen, mooie zinnen, goede symboliek.

Joost van Driel (Middelburg 1976) was als onderzoeker en docent werkzaam aan verschillende Nederlandse universiteiten. Hij publiceerde onder andere artikelen over literatuurgeschiedenis in De Groene Amsterdammer. Over middeleeuwse literatuur schreef hij de boeken Prikkeling der zinnen en Meesters van het woord.


ISBN 9789460015205| Hardcover | 160 pagina's | Uitgeverij Vrijdag | februari 2017

© Marjo, 6 december 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER